Hoger beroep heeft geen schorsende werking meer in burgerlijke zaken

In burgerlijke zaken schorst het hoger beroep de tenuitvoerlegging van een eindvonnis niet meer. Enkel het verzet heeft nog schorsende werking. Dat is het gevolg van de wet van 19.10.15 die van toepassing is op de zaken die aanhangig worden gemaakt vanaf 01.11.15.  Zaken die eerder aanhangig gemaakt werden en hogere beroepen ertegen volgen nog het oude regime.

Hoger beroep

Tot dusver gold in regel dat het hoger beroep tegen vonnissen in eerste aanleg gewezen de uitvoering ervan schorst. Bij uitzondering kon de eerste rechter de voorlopige uitvoerbaarheid toelaten. Die regel wordt nu dus omgekeerd.

De eindvonnissen zijn uitvoerbaar bij voorraad,  ook al wordt er hoger beroep tegen ingesteld. De rechter kan de voorlopige tenuitvoerlegging wel afhankelijk maken van het stellen van een zekerheid.

De wetgever wil hiermee vermijden dat hoger beroep enkel wordt gebruikt om uitstel te krijgen van de uitvoering van de veroordeling. De schorsende werking van het hoger beroep blijft echter wel bestaan als de rechter dat zo met bijzondere redenen beveelt.

Een veroordeling kan in principe pas ten uitvoer gelegd worden als zij aan de partij betekend is. De partij die uitvoert doet dat op eigen risico en kan gehouden worden tot vergoeding van de opgelopen schade indien de rechter in hoger beroep aan andersluidende beslissing neemt.

Als de eerste rechter de voorlopige tenuitvoerlegging heeft uitgesloten, kan een partij haar nog vragen bij inleiding van het hoger beroep.

Verzet

Verzet daarentegen blijft zijn schorsende werking wel behouden, tenzij de rechter de tenuitvoerlegging met bijzondere redenen toch beveelt. De versteklatende partij kan immers te goeder trouw zijn engeen weet hebben gehad van de dagvaarding.

De nieuwe spelregels omtrent de uitvoerbaarheid geven meer gewicht aan de procedures in eerste aanleg en zullen de gebruiken bij het bepalen van conclusiekalenders wellicht beïnvloeden waardoor de procedure meer tijd in beslag neemt.

Auteur: Youri Steverlynck, advocaat-vennoot Lexeco

Wijzigingen Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening

Ingevolge het Decreet houdende diverse bepalingen inzake omgeving, natuur en landbouw en energie dd. 18 december 2015 werden door het Vlaams Parlement een aantal wijzigingen doorgevoerd aan de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO). Dit Decreet werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 29 december 2015 en trad in werking op 8 januari 2016.

Hieronder worden een aantal belangrijke wijzigingen beknopt besproken:

1. wijziging bezwaarprocedure ruimtelijke uitvoeringsplannen en planologische attesten

Opmerkingen en bezwaren n.a.v. een openbaar onderzoek m.b.t. een vergunningsprocedure konden sinds het wijzigingsdecreet dd. 4 april 2014 reeds “schriftelijk of digitaal” worden ingediend. Een “beveiligde zending” – aangetekend schrijven of schrijven tegen ontvangstbewijs – was niet meer vereist.

Voor bezwaren in het kader van openbare onderzoeken m.b.t. ruimtelijke uitvoeringsplannen en planologische attesten was deze “beveiligde zending” wel nog vereist. De Vlaamse decreetgever heeft de inspraakprocedures thans op elkaar afgestemd. Ook bezwaren of opmerkingen tegen ruimtelijke uitvoeringsplannen en planologische attesten kunnen sinds 8 januari 2016 schriftelijk – per gewone post – of digitaal worden ingediend.

Een beveiligde zending is derhalve niet langer vereist. Al benadrukt de regelgever terecht dat het vesturen via beveiligde zending wel in het belang van de bezwaarindiener blijft voor o.a. het bewijs van de vaste datum van het bezwaar, zekerheid dat het bezwaar bij de ontvanger terechtkomt, etc.

2. vernieuwde procedure voor stedenbouwkundige meldingen

Voor bepaalde werken is geen stedenbouwkundige vergunning nodig, maar dient enkel een stedenbouwkundige melding gedaan te worden. Dit geldt bv. voor interne verbouwingswerken gepaard met stabiliteitswerken of de oprichting van bijgebouwen aan een woning met een maximale oppervlakte van 40 m² per perceel.

Ingevolge het wijzigingsdecreet dd. 18 december werd de procedure inzake stedenbouwkundige meldingen grondig vernieuwd. Het betreft onder meer volgende wijzigingen:

  • het College van Burgemeester en Schepenen dient na een melding zelf na te gaan of de handelingen al dan niet meldingsplichtig en niet verboden zijn.
  • n.a.v. de aktename van de melding kan het College voorwaarden opleggen aan de aanvrager. 
  • tegen de aktename van de melding kunnen belanghebbenden vernietigings- en of schorsingsberoep aantekenen bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Opdat deze belanghebbenden kennis kunnen nemen van de aktename, dient de aanvrager voortaan de aktename van de melding gedurende een periode van 30 dagen aan te plakken.

3. bijkomende schorsingsgronden voor de vervaltermijn van een stedenbouwkundige vergunning

Overeenkomstig Art. 4.6.2., §1 VCRO vervalt een stedenbouwkundige vergunning van rechtswege in volgende gevallen:

  • de verwezenlijking van de stedenbouwkundige vergunning wordt niet binnen de twee jaar na de afgifte van de vergunning in laatste administratieve aanleg gestart;

  • de werken worden gedurende meer dan twee jaar onderbroken;

  • de vergunde gebouwen zijn niet winddicht binnen drie jaar na de aanvang van de werken.

Deze termijnen werden reeds geschorst door een hangende vernietigingsprocedure bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Het wijzigingsdecreet voert nog drie bijkomende schorsingsgronden in: schorsing gedurende de looptijd van een bekrachtigd stakingsbevel, de uitvoering van archeologische opgravingen en tijdens het uitvoeren van bodemsaneringswerken.

Auteur: Ilse Cuypers & Sarah Jacobs

 

 

Is een bestuurder aansprakelijk voor het niet betalen van facturen door de vennootschap?

In een recent vonnis oordeelde de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen, afdeling Antwerpen als volgt:

Een leverancier wenste de bestuurders van een vennootschap aansprakelijk te houden wegens niet betalen van haar facturen, aangezien deze meende dat de bestuurders wisten dat de vennootschap ernstige betalingsproblemen had en haar financiële verplichtingen niet zou kunnen voldoen. Nog volgens de leverancier hadden de bestuurders niet onmiddellijk het faillissement van de vennootschap aangevraagd of een reorganisatieprocedure onder de WCO geïnitieerd waardoor zij de ondernemingsactiviteiten nodeloos hadden laten aanslepen. De leverancier meende hierdoorschade te hebben geleden en begroot deze enerzijds op de hoegrootheid van de niet betaalde facturen en anderzijds op een winstderving.

De Rechtbank van Koophandel te Antwerpen, afdeling Antwerpen oordeelde dat derden (lees: leveranciers), in principe bestuurders van een vennootschap aansprakelijk kunnen houden voor schade die zij hebben geleden.

Maar, zo stelde de Rechtbank, dient er een onderscheid gemaakt te worden tussen deze derden die een overeenkomst sloten met de vennootschap (en facturatie is het gevolg van een overeenkomst) en derden die dat niet deden.

Derden die een overeenkomst sloten (oa. leveranciers) met de vennootschap kunnen de bestuurders bij de foutieve uitvoering van contractuele verbintenissen van de vennootschap niet persoonlijk aansprakelijk stellen. Leveranciers kunnen bestuurders dus alleen maar aanspreken wanneer zij een andere schade hebben geleden dan de schade die voortvloeit uit de contractuele wanprestatie.

Dit is het geval wanneer kan worden aangetoond dat de bestuurder een inbreuk maakt op de algemene zorgvuldigheidsplicht die op elke normale en zorgvuldige bestuurder rust én hierdoor andere dan contractuele schade is ontstaan.

In dit specifieke geval achtte de leverancier de bestuurders verantwoordelijk voor de niet betaalde facturen. De Rechtbank oordeelde dat deze vordering louter gesteund was op een contractuele wanprestatie en bijgevolg niet ten laste van de bestuurders kon worden gelegd.

Daarnaast vorderde de leverancier winstderving. De leverancier stelde dat na zijn ingebrekestelling voor de niet-betaalde facturen, de in gebreke gebleven vennootschap geen opdrachten meer gaf. De Rechtbank oordeelde dat aangezien er geen enkel engagement noch overeenkomst bestond tussen de onderneming en de leverancier om een bepaalde hoeveelheid opdrachten aan de leverancier toe te bedelen, de leverancier niet mocht rekenen op een vergelijkbare omzet. Bovendien, had er wel een dergelijke overeenkomst bestaan, dan was er opnieuw sprake van een contractuele schade…

Zonder zich over een mogelijke fout van de bestuurders uit te spreken, oordeelde de Rechtbank dat de vordering van de leveranciers tav. de bestuurders voor niet betaalde facturen van de vennootschap ongegrond was.